Motoriek en sportspecifieke vaardigheden

Motoriek: de basis van een goede sporttechniek

Motoriek bepaalt of een sporter zijn of haar persoonlijke top behaald. Sterker, het ontwikkelen van goede motoriek in de jeugd veroorzaakt of iemand zijn of haar persoonlijke top gaat behalen. Dat maakt het tegenwoordig moeilijker om echt goed te worden omdat kinderen gewoon te weinig buiten spelen. Gecombineerd met de vele leuke mogelijkheden op de spelcomputers maakt het noodzakelijk dat een jeugdsporter tegenwoordig vaker bij zijn of haar club moet trainen dan vroeger. Alleen al om het gemis aan buitenspelen op te vangen. De club functioneert dan niet meer alleen als plek waar een kind een sport leert maar ook als initiator van goede ontwikkeling van bewegen.

Het gaat bijna niet helpen om op latere leeftijd (14 plus) extra trainingen in te plannen om zo de eerder opgelopen achterstand in bijvoorbeeld pasfrequentie in te halen. Deze kan nog wel verbeteren maar het voor een specifieke motorische beweging genetisch vastgelegde plafond wordt niet snel meer gehaald. Reden hiervoor is dat het zenuwstelsel zo geprogrammeerd is dat in iedere leeftijdsfase een bepaalde motorische vaardigheid het beste kan worden aangeleerd. Let op: dit geldt al voor de eerste 3 levensjaren. Ook in deze periode is het goed als een kind vrijuit kan bewegen en spelen. In deze jaren wordt al de basis gelegd voor zaken als links-rechts coördinatie en de grove motoriek.

Wanneer er alsnog wordt ingezet op het inhalen van gemiste motorische ontwikkeling en er moet bijvoorbeeld ook nog een voetbalspecifieke actie worden ingeslepen blijft er geen ruimte meer om ook nog een spelpatroon aan te leren. Overkomt dit een jeugdvoetballer dan wordt het moeilijk om zijn of haar persoonlijke optimale ontwikkeling te doorlopen.

Wat is nu eigenlijk een optimale algemene motorische ontwikkeling in de jeugd? Grofweg zijn de fase als volgt:

0-3 jaar: slurffase - asymmetrische fase

3-6 jaar: symmetrie fase

6-9 jaar: lateralisatie fase

9-12 jaar: dominante fase

In de eerste twee fases is de thuissituatie en vanaf 4 jaar ook de school erg belangrijk. Een kind leert in deze fases achtereenvolgens reflexmatig het lichaam bewegen, armen en benen apart van elkaar bewegen en uiteindelijk activiteiten met armen en benen tegelijk een actie laten uitvoeren (springen met twee benen tegelijk of onderhands een bal met twee handen tegelijk werpen. Deze bewegingen komen dus in de symmetrische fase aan bod.) In deze fases is het aanleren van een sportspecifieke vaardigheid niet het eerste waar je aan denkt. Ofwel, geef kinderen gewoon een bal en laat ze rennen, schieten en gooien. Bewegen is het credo, niet presteren.

In de derde fase, de lateralisatiefase, gaat een kind leren om met 1 hand of been apart te bewegen. Zaken als staan en hinkelen op 1 been en het bal leren gooien met 1 hand komen op de voorgrond te staan. Hetzelfde geldt voor een bal trappen en eten met mes en vork.

De dominante fase heeft als kenmerk dat de dominante hersenhelft is bepaald en dientengevolge ook welke arm en been dominant zijn. Het is dus mogelijk om meer sportspecifiek te gaan oefenen. Aandachtspunt met betrekking tot het uitleggen c.q. instructie geven is dat de taalontwikkeling pas vanaf ongeveer het 8e jaar aan de motorische ontwikkeling is gekoppeld. Ofwel: het uitleggen van een oefening door middel van woorden komt over het algemeen pas goed aan wanneer deze leeftijd bereikt is. Voor deze leeftijd is het zaak de beweging voor te doen en op een speelse manier aan te bieden. Ook later is dit natuurlijk een mogelijkheid maar het verbaal aanbieden wordt dan ook een mogelijkheid.

Zoals gezegd is de dominante fase de periode dat de invloed van de sportclub groter gaat en ook mag worden. Er kan immers sportspecifiek geoefend worden. Een kind kan nu gaan leren om technieken te gebruiken die gevraagd worden bij bijvoorbeeld voetballen, hockey, zwemmen of atletiek. Deze sportspeciefieke vaardigheden, bijvoorbeeld een bal schieten of verspringen, worden goed uitgevoerd bij de gratie van een goede algemene motorische uitvoering.

Deze algemene motorische ontwikkeling hangt weer af van bijvoorbeeld snelheid, coördinatie, pasfrequentie, uithoudingsvermogen en kracht. Er kan gepoogd worden van iemand een goede tennisser te maken maar als de snelheid van de beweging niet voldoende is zal de forehand nooit optimaal worden. Het sprinten met een bal of het slaan van een goede forehand is erg belangrijk MAAR eerst moet er geoefend worden op het sprinten en bewegen zonder bal om überhaupt tijdens het lopen met een bal zo hard mogelijk voort te kunnen bewegen. Immers, het beheersen van de bal tijdens sprint vergt energie en aandacht waardoor niet de vereiste sprintsnelheid getraind wordt. Ofwel: zaken als snelheid en pasfrequentie (in het geval van balsporten eenvoudige bewegingen) naar sprinten met bal (complexe motorische bewegingen) moeten in de juiste volgorde aangeleerd (lange termijn) en getraind (korte termijn) worden. Waarbij aangetekend dat krachttrainen pas echt nut heeft vanaf het moment dat er een min of meer volwassen lichaamsbouw begint op te treden. Voor deze tijd is het hormonale systeem niet ingericht op krachttraining en heeft het dus weinig nut op langere termijn. Eerst goed leren bewegen dus!

Basaal gezien kan een training na de warmingup (spelvorm) daarom opgebouwd worden van loopoefeningen zonder bal (knieheffen, hielaanslag, wisselpas, speedladder en sprinten) naar loop- en sportspecifieke vormen met bal. Van eenvoudig naar complex.